Som
Ik was er, want het waren laatste uren
in de stille kamer met het donkerbruin behang,
de oude perzikjes, de tulpen in borduursteek,
rood, verlept. En toen ze leek te zuchten,
doodging, dood was, zocht ik in mijn zakken
en mijn tas en legde naast haar hoofd
mijn discman neer, mijn scootersleutels op
haar kussen, floppy's, ongeformatteerd,
over de dekens, en mijn gsm dicht
naast het bed. Alles wat ik vond
en bijna nog een euro op haar mond.
Weet niet goed waarom. Ik dacht misschien
dat ik haar dood kon middelen met al mijn
nieuwerwetsigheid, zodat de som op tijdwinst
uit zou komen - zij nog even wakker werd
en er weer was. En mij zou vragen:'Jochie,
ben je er nou nog?' En dat ik zeggen zou:
'Welnee, ik ben er nog maar pas.'

E. van der Vendel