De zachte krachten
1.

Ze bemint me. Ze vertedert me.
Ze wil een ring, een kind van me.
Ze bewierookt me, gaat in me op,
bezwaart me.
Ze bemoedert d.w.z. ze kleineert me.

Ze overschat dus ondermijnt me,
verdwijnt in me, onteigent me.
Ze vreest en ze vernedert me.
Is weg van me.
Zal altijd bij mij blijven, ze.
Is van me weg.

2.

Ze houdt van me, ze houdt me af,
ze stampvoet, ze vervloekt me.
Ze aait me en verjaagt me,
ze droomt van me, ze vist me op,
ontwaakt naast me, scheldt me verrot.
Heeft me innig lief. Dreigt met verraad, ze.

Ze knielt voor me. Bidt voor me.
Knielt voor me,
aanbidt, verliest me.
Bidt innig voor me, verwerft me.
Staat altijd achter me, knielt
en verliest me, bezit me totaal -
O God,
en ten einde raad
ze verlaat me.
Ze.

Hans Verhagen