Jaap
Toen ik even
Van de verzen, die ik las,
De oogen peinzend hield geheven
Tot de vreugd, die buiten was…
Jaap, Jaap!
Wie zag ik daar komen
Onder mijn raam door de eikenlaan?
Jaap, mijn jongen,
De vogeltjes zongen
Hoog in de boomen
En alle vinken begonnen te slaan…
Ook in mijn hart ging het zingen aan.
Jaap, Jaap!
Daar liep Jaap met een hoogen hoed
Deftig, slank en stijf gesteven,
Ik keek naar beneden
En lachte even:
Wat stond die gekleede,
die zwarte, gekleede,
Die lange, gekleede jas hem goed!
Hoor, hoe door het dicht struweel
Alle vogeltjes daar buiten,
aan het fluiten
Zijn geslagen
met hun grage,
Met hun wagenwijde keel.
Jaap, mijn haar wordt al wat grijzer,
Waarom wordt mijn hart niet wijzer,
Dat met dit gepluimd gediert
Al maar fluit en tiereliert,
En in goede en kwade tijden
In den Mei zich moet verblijden
Met het vog’le- en dichterlied?…
Jaap, mijn knaap, hoe zoude ik niet?
Vogelzang en zonneschijnen,
Bloemengeur en voorjaarswind,
Alles, wat ik heb bemind,
Alles immers bleef het mijne?
Liefde en schoonheid ongemeten,
Zoete vreugden ongeteld,
Wat mijn ziele heeft bezeten,
Niets heeft me ooit teleurgesteld.
Jacqueline van der Waals