De dichter

Jacob Israël de Haan (1881-1924) was niet alleen dichter, maar ook prozaschrijver. Al vrij vroeg kwam deze joodse schrijver in conflict met zijn opvoeding. Hoewel hij opgeleid was tot onderwijzer, ging hij de journalistiek in.
Aanvankelijk schreef hij traditionele gedichten , maar zijn roman Pijpelijntjes (1904) zorgde in het toenmalige Amsterdam vanwege de vriendenrelaties voor veel opschudding, evenals Pathologieën (1908). Ook in de Libertijnsche liederen (1914) blijkt De Haans homoseksuele aanleg.
Hij keerde terug naar het joodse geloof, nu als overtuigd zionist(iemand die het streven heeft alle joden terug te brengen naar een zelfstandige staat in Palestina, het huidige Israël).
Zijn twee bundels Het joodsche lied (1915 en 1921) vormen een hoogtepunt van joodse lyriek. Ze zijn gedeeltelijk ontstaan uit herinneringen aan een vrome jeugd.
Intussen ging De Haan rechten studeren en in 1916 promoveerde hij. In datzelfde jaar werd hij privaatdocent aan de universiteit van Amsterdam.
Kort na de Eerste Wereldoorlog ging hij als correspondent van Het Handelsblad naar Palestina (het huidige Israël). Hij nam er deel aan het politieke leven en nam een duidelijk afwijkend standpunt in. De plannen voor zijn terugkeer naar Nederland stonden reeds vast, toen hij vanwege zijn politieke standpunten in Jeruzalem vermoord werd.