De dichter

Jacob Cats is een van oorsprong Zeeuwse dichter uit de zeventiende eeuw. Hij leefde van 1577 tot 1660. Cats verloor al jong zijn moeder en werd vervolgens door haar broer opgevoed. Op school in Zierikzee kreeg hij interesse in poëzie en schreef hij zijn eerste gedichten in het Latijn. Al gauw ging hij op het schrijven in het Nederlands over.

Als je het werk van Cats kent, kun je je niet voorstellen dat hij in zijn jeugd een echte losbol is geweest. Dat veranderde snel toen hij met Elisabeth van Valkenburg trouwde. Hij had toen zijn rechtenstudie die hij in Leiden was gestart al met een doctoraal examen in het Franse Orléans afgesloten. Hij begon als advocaat, maar moest zijn carričre onderbreken omdat hij aan malaria leed. Voor zijn genezing ging hij naar Engeland.
Daarna klom hij langzaam op via advocaat en pensionaris (stadsadvocaat, meestal ook afgevaardigde bij de Staten der Provincie) van Middelburg en Dordrecht tot raadpensionaris (voornaamste bestuursambtenaar) van Holland.

Cats had niet alleen een succesvolle loopbaan: hij werd ook heel erg rijk door allerlei inpolderingen en grondspeculaties. Ten slotte bleek hij ook nog succesvol als dichter voor ‘het gewone volk’. Zijn werk werd door de intellectuelen als alledaags beschouwd. Toch was hij een groot voorbeeld voor vele andere dichters. Niet voor niets was zijn bijnaam ‘Vader’ Cats. Enkele werken van hem zijn Sinne en minnebeelden (1618), Selfstrijt (1620) en Houwelijk (1625). Tijdens zijn leven bracht hijzelf zijn geschriften en gravures bijeen in Alle de wercken van Jacob Cats. (1655) Dit werk werd twee eeuwen lang beschouwd als de ‘huisbijbel’, vanwege de vele moralistische teksten die je erin terugvindt.
Cats overleed in 1660 in Den Haag en liet een vermogen van 2, 3 miljoen gulden na. Een enorm bedrag in die tijd!

Meer weten over Jacob Cats