De dichter
Een leraar die te vriendschappelijk met zijn leerlingen omging, dat kon in de negentiende eeuw zeker niet! Het kostte Guido Gezelle (1830 -1899) in 1860 zijn baan op het kleinseminarie (rooms-katholiek. Gymnasium en internaat voor jongens die priester wilden worden) te Roeselaere. Na zijn studie tot priester werd hij daar docent; hij had op dit kleinseminarie van 1846 tot 1850 zelf ook gestudeerd. In Roeselaere schreef hij zijn eerste dichtbundel Kerkhofblommen.
Ook op literair gebied was hij in zijn tijd een buitenbeentje. Toen was het in Vlaanderen in bepaalde kringen gewoonte het Frans als voertaal te gebruiken. Gezelle schreef zijn gedichten in het West-Vlaams. Maar hij streed niet alleen tegen het Frans. Ook het ‘Hollands’ moest het bij hem ontgelden.
Na zijn ontslag werd hij docent in Brugge, maar ook daar kreeg hij in1865 problemen. Uiteindelijk werd hij onderpastoor in Brugge. Zijn carrière raakte vanaf die tijd in het slop en ook op literair gebied liet hij weinig meer van zich horen.
Vanaf 1893 was hij ambtloos en toen verscheen Tijdkrans; daarna zou hij nog een bundel uitgeven: Rijmsnoer. Gezelle ondervond heel veel kritiek vanwege zijn uitgesproken religieuze onderwerpen, zijn aparte vormbehandeling en zijn eigengereide taalgebruik.