Een onaangepast ventje was Paul van Ostaijen (1896-1928) al in zijn Antwerpse jeugd. Schoolvrienden beschreven zot Polleken als een kereltje dat niets van schoolregels wilde weten. Liever ging hij naar de Vogeltjesmarkt om naar de worstelaars te kijken. Op de middelbare school, een jezuïetencollege, verzette hij zich tegen de opvattingen van de paters. Hij las ook nog eens verboden lectuur die hij ook aan zijn klasgenoten gaf. Het verbaast je waarschijnlijk niet: Paul werd uiteindelijk van het college gestuurd.
Hij ging op het stadhuis van Antwerpen werken, maar kreeg ook daar problemen. Hij keerde zich als actief aanhanger van de Vlaamse Beweging tegen het conservatieve Franse gezag van burgerij, kerk en staat. Hij moest daarom vluchten naar Berlijn en kwam daar in aanraking met allerlei moderne opvattingen over literatuur en beeldende kunst, zoals het dadaïsme. Ook als dichter bleef hij eigenzinnig.
In 1916 debuteerde Van Ostaijen met de bundel Music Hall.
Paul van Ostaijen stierf al op 32-jarge leeftijd aan tbc. Hij wilde met zijn laatste gedichten poésie pure (gedichten waarin het niet meer om de inhoud, maar om een spel van klank en ritme gaat. De dichter gebruikt de woorden dan hoofdzakelijk voor het muzikale effect) maken.
Misschien vind je zijn gedichten wel een beetje gek of kinderachtig. Maar in zijn tijd waren zijn gedichten vernieuwend en revolutionair. Je kunt het vergelijken met kinderliedjes waarin hetzelfde gebeurt, zoals Ienemienemutten, tien pond grutten, tien pond kaas, ienemienemutten is de baas. Daarin gaat het ook in de eerste plaats om de klanken en pas later om de inhoud.