De dichter
Eén van de meest gelezen dichters uit ons taalgebied, dat is Jean Pierre Rawie (1949) zonder enige twijfel. Dat wil niet zeggen dat zijn gedichten altijd een positief oordeel hebben gekregen. Hij is in Den Haag geboren en opgegroeid in het Groningse Winschoten. Zijn vader was een doopsgezinde dominee.
Hij studeerde Slavische en Romaanse filologie in Groningen.
Rawie vindt het zelf niet belangrijk dat mensen iets over zijn leven afweten. Hij vindt dat niet de persoon maar het werk centraal moet staan.
Hij heeft zich in zijn werk ontwikkeld van een dichter die poëzie met komische vondsten schreef naar een classicistische (gericht op de kunst of poëzie van de Griekse of Romeinse Oudheid ) getinte schrijver. Eenstemmigheid en eenvoud vindt hij in zijn gedichten belangrijk. Zijn opvatting over poëzie is duidelijk: Het is allemaal echt gebeurd. Poëzie is ervaringskunst.
Zijn eerste dichtbundel verscheen in 1979: Het meisje en de dood. Het gedicht Ursa Minor I is verschenen in de bundel Onmogelijk geluk (1992). Deze bundel maakte Rawie op slag bekend: hij kwam er zelfs mee in de boekentoptien.
Rawie maakt nooit aantekeningen voordat hij zijn gedichten schrijft. Hij begint soms met een regel, soms met een melodie. Hij weet ook van tevoren wat voor gedicht het wordt. De functie van poëzie is volgens Rawie bezwering. Dat heeft dus met angst te maken. Rawie heeft een sterke voorliefde voor de gedichten van de zeventiende-eeuwse dichters.
Hij streeft in zijn gedichten naar perfectie. Een gedicht moet kloppen. Zijn taalgebruik is soms wat archaïsch (verouderd).