De dichter
Louis Paul Boon werd op 15 maart 1912 in Aalst (België) geboren. Toen hij een jaar of veertien was, ging zijn grote liefde uit naar de schilderkunst. Helaas moest hij zijn opleiding aan de Academie voortijdig beëindigen. Hij ging werken als huisschilder, in een bierbrouwerij maar bleef intussen schilderen en begint ook te schrijven. In 1942 verscheen zijn eerste boek De voorstad groeit. Na de oorlog ging hij in de journalistiek. Naast zijn werk voor kranten en tijdschriften vond hij tijd om tal van boeken te schrijven. Het meest bekende verscheen in 1952: De Kapellekensbaan. In dat boek gaat het, zoals in veel boeken van Boon, over eenvoudige mensen die op zoek zijn naar geluk en vrijheid en zich moeten afzetten tegen de machthebbers in kerk en industrie, de burgerij en ook tegen hun eigen milieu. Boons kijk op de maatschappij is nogal pessimistisch; de mens moet al blij zijn als hem wat klein geluk ten deel valt. Zijn roman Kapelaan Pieter Daens werd bekend door de verfilming ervan.
Boon heeft niet veel poëzie gepubliceerd. Jarenlang schreef Boon cursiefjes (korte verhaaltjes) voor het socialistische dagblad Vooruit.
Boon stierf in 1972. Over het schrijven zei hij eens: Als je iets schrijft moet je dat doorleefd hebben.
Als je zegt: Ja , ik ga eens wat maken, iets fantaseren’, dan gaat dat niet: je moet het werkelijk doorleefd hebben.