Het gedicht
Aan eenen jongen visscher is een sonnet (gedicht van veertien regels verdeeld over vier verzen: tweemaal vier en tweemaal drie versregels). In veertien regels vertelt De Haan ons over een romance met een jonge visser. In het eerste vers geeft hij een beschrijving van de visser aan de hand van vergelijkingen: Op die manier worden zijn wangen, voeten en ogen beschreven.
In vers 2 geeft hij een beschrijving van de plaats waar ze zich bevinden. In vers 3 geeft de dichter aan dat hij zich –alleen- eenzaam voelt, terwijl de visser tevreden zijn werk doet.
De conclusie zit in het laatste vers. Uit dit vers spreekt een sterk verlangen naar de visser.
Het is duidelijk dat dit sonnet past binnen de homo-erotische gedichten die De Haan heeft geschreven en waar hij ook veel opzien mee baarde.