Het gedicht
Misschien is dit wel het bekendste verzetsgedicht uit onze literatuur, na het Wilhelmus. Jan Campert heeft het geschreven naar aanleiding van het fusilleren van achttien gijzelaars op 13 maart 1941.
Het was niet zijn eerste gelegenheidsgedicht. Op aandrang van Utrechtse studenten werd er een rijmprent van gemaakt.
De liefde tot de geboortegrond en tot Oranje, zijn aangeboren afkeer van tirannie, maken hem tot de grootste Nederlandse verzetsdichter.
Het gedicht begint zeer pakkend: hij vertelt over de afmetingen van een cel en die van zijn toekomstige rustplaats. Als lezer weet je dan de vermoedelijke afloop. Juist zo’n begin dwingt je als lezer verder te lezen. De ik-persoon zit bij het krieken van de dag op zijn executie te wachten. Hij beschouwt nog éénmaal zijn daden en weet dat hij er goed aan gedaan heeft. Hij geeft ook aandacht aan zijn kameraden en spreekt tenslotte de wens uit dat God hem het sterven licht maakt.
Het gedicht heeft een strakke bouw. De zeven verzen van acht regels (octaven) rijmen gekruist.