Het gedicht

Pogrom is een van de bekendste gedichten van Ed Hoornik. Hoewel het gedicht al in 1939 in de bundel Steenen verscheen, past het onderwerp ervan bij de onderwerpen die in zijn naoorlogse gedichten belangrijk zullen worden.
De titel geeft al kort en krachtig aan waar dit gedicht over gaat. Het woord pogrom betekent: razzia tegen joden, jodenvervolging. Niet echt een vrolijk onderwerp, maar wel een onderwerp waar Ed Hoornik reeds voor de oorlog heel erg mee bezig was.
Het gedicht Pogrom heeft een traditionele vorm: het is een sonnet (lyrisch gedicht van 14 regels, namelijk twee strofen van 4 regels en twee strofen van 3 regels) In het eerste kwatrijn (vers van vier regels) vuurt iemand die zich later ‘ik’ noemt, een spervuur van vragen op de lezer af. Het gedicht blijkt volgens regel 4 over een jongen te gaan.
In het tweede kwatrijn gaat het spervuur van vragen door. Wel krijgen we meer informatie: is de jongen in het water terechtgekomen? In regel 8 krijgen we ondubbelzinnig antwoord op de vraag waar het zich afspeelt. Het water is niet de Spree (een rivier in Duitsland in de deelstaten Brandenburg en Saksen) en het is niet in Berlijn: de handeling vindt plaats in Amsterdam en het water is de Amstel.
In veel sonnetten zit een wending. In de meeste vind je de wending tussen regel 8 en 9; dat is in dit gedicht ook zo. De terzetten (een vers van drie regels) zijn persoonlijker. Er is opeens sprake van een ík’ die emotie toont: ík druk mijn nagels dieper in mijn handen.
Opmerkelijk is weer de laatste regel. Samen met de laatste regel van het octaaf (de eerste acht regels van het sonnet) vormt ze het verhaal in een notendop.