Het gedicht

Een alledaagse gebeurtenis. Jou overkomt het ook regelmatig: je staat of zit ergens (te wachten), bijvoorbeeld op het station of op het strand. Er staan of zitten andere mensen naast je. Je ziet ze en vergeet ze meestal weer snel. In dit gedicht hebben de omstanders kennelijk indruk gemaakt op de ik-persoon.

De ik-persoon ontmoet twee dames die hem op verschillende wijze benaderen. Eigenlijk zijn ze op meerdere vlakken elkaars tegengestelden. Aan zijn linkerzijde een blond godinnetje dat hem nauwelijks een blik gunt. Kijkt hij tegen haar op of kijkt zij op hem neer?

De dame aan de rechterzijde is spraakzamer: ze geeft de ik-persoon een inkijkje in haar wereld. Met de weinige informatie die ze hem geeft, krijgt hij toch een aardig beeld van haar leven.
Ook de andere vrouw geeft hem genoeg informatie zonder hem te spreken: Anton, kennelijk een echte Hollandse jongen.

In dit gedicht komen verschillende culturen met elkaar in aanraking. De ik-persoon is zonder twijfel een Arabische jongen: niet voor niets staat er in het gedicht dat sinds 11 september een Arabier niet zo goed in de markt ligt. De vriend van de reuzin is een joodse jongen. Die benadert de ik-persoon vijandig. Hij geeft zijn vriendin een kus op haar schouder terwijl hij de ik-persoon strak aankijkt, alsof hij hem wil meedelen: ze is van mij!

Ook het goudblonde godinnetje heeft een eigendomsbewijs dat misschien nog veel duidelijker is. De tatoeage met in schoonschrift Anton kan ook uitgelegd worden als: afblijven: ik ben van Anton. Nu is Anton ook een naam die mogelijk verwijst naar de NSB’er Anton Mussert. Is dat misschien de bedoeling van de dichter?

Mogelijk is er in het gedicht sprake van een kruisstelling: een chiasme. Het ene meisje cast NSB’ers voor een Nederlandse dramaserie, terwijl de ander met de voornaam van de voorman van de NSB in haar nek loopt. Toeval? Vast niet…