Iedereen komt er in zijn jonge leven mee in aanraking: de conciėrge. Daarom is de eerste reactie dat dit gedicht gaat over een schoolconciėrge. Een beschrijving van de persoon, meestal een man, die op school alles regelt: van te laat briefjes tot het afsluiten van de deur en nog veel meer. Op sommige scholen regeert hij soms met ijzeren hand als ware hij de directeur. De eerste zin van dit het gedicht past nog helemaal in dit beeld.
Als snel blijkt onze conciėrge niet de persoon te zijn zoals de meesten van ons de conciėrge kennen. Hij blijkt niet zomaar een schoolconciėrge te zijn. Ook appartementencomplexen hebben vaak een conciėrge, ook wel huismeester genoemd. Daar hebben we hier blijkbaar mee te maken.
De paradoxde gevaarlijkste en onschuldigste van alle mensen zorgt gelijk voor spanning in het gedicht. In de eerste regels wordt ons al verteld dat de conciėrge misschien niet de persoon is die wij zien: hij heeft twee kanten.
In de tweede strofe wordt een beschrijving gegeven. Er wordt een tipje van de sluier opgelicht wat betreft zijn uiterlijk: hij is nog jong en heeft een sik; bovendien is hij vertrouwenwekkend. Als hij met de vrouwen meeloopt, heeft hij een monsterende blik: hij keurt ze als het ware. Uit deze beschrijving komt hij naar voren als een tamelijk vriendelijk en onschuldige mens.
Knap is de spanning die aan het eind van strofe 2 wordt opgebouwd met ik zie iets. De tweede strofe loopt met een enjambement over in de derde. Hier, in de laatste versregel van strofe 2, wordt opeens een ik-persoon geļntroduceerd. Je zou hier een wending in het gedicht kunnen lezen.
Wie is deze ik-persoon? Zijn vrouw, zijn moeder, een familielid? Eigenlijk doet dat er weinig toe. De ik-persoon blijkt de conciėrge goed te kennen, hij of zij kent een andere kant van hem.
In de eerste twee strofen wordt de conciėrge vooral van de buitenkant beschreven. Het gaat over hoe anderen tegen hem aankijken. Niet voor niets staat er in strofe 2-3: Ik zie iets anders in die ogen.
Vanaf strofe 3 zien we de conciėrge door de ogen van de ik-persoon. de toon van het gedicht wordt negatiever: de conciėrge blijkt anders te zijn dan we op grond van strofe 1 en 2 zouden verwachten.
Hij gaat letterlijk naar binnen op het moment dat de maan, die hij veracht, aangekondigd wordt: hij lijkt niet van de avond en de nacht te houden. Hij wordt zelfs naar binnen gedreven, het huis in. Hij heeft kennelijk geen andere keus: hij moet naar binnen. Maar s avonds en in s nachts is hij buiten dienst. En zelfs dan weet de ik-persoon wat hij doet: hij of zij moet de conciėrge wel heel erg goed kennen.
Het gedicht is een sonnet: het telt veertien versregels. Er zijn verschillende soorten sonnetten.
Dit gedicht is een Shakespeare sonnet naar de Engelse dichter en toneelschrijver William Shakespeare.
Een belangrijk kenmerk is dat er drie kwatrijnen en een distichon zijn. Het gedicht bevat heel veel enjambementen. Tussen deze drie kwatrijnen is er elke keer sprake van enjambement. Hierdoor is er een hechte band tussen de drie strofen.
Vaak is er sprake van een wending tussen strofe 3 en strofe 4, en dat is ook hier het geval.
De derde strofe eindigt met een dubbele punt. Vaak volgt er dan een verklaring of een uitleg. In de vierde strofe, de laatste twee versregels, blijkt de conciėrge nog steeds te lopen, maar nu in zijn kamer. Hij heeft zich er opgesloten en loopt rondjes. Zijn kamer wordt zijn graf genoemd. Is de conciėrge niet de persoon die wij denken dat hij is? Heeft hij iets te verbergen, waardoor hij zich vol angst afsluit van de buitenwereld? Hij is onmiskenbaar angstig, want anders sluit je de kamer niet af met sloten en loop je ook niet te ijsberen.
In het gedicht vinden we verschillende kruisverbanden: gevaarlijk onschuldig, dag nacht, buiten binnen, zij zorgen voor extra kracht in het verhaal. Ze zorgen er ook voor dat je vanaf de eerste tot de laatste versregel geļnteresseerd blijft in de mysterieuze persoon van de conciėrge.