Het gedicht
Vera Janacopoulos, met als ondertitel Cantilene (kerkgezang, zangerige melodie) geschreven ± 1930, het beroemdste gedicht van Jan Engelman. Het is een voorbeeld van poésie pure (gedichten waarin het niet meer om de inhoud, maar om een spel van klank en ritme gaat. De dichter gebruikt de woorden dan hoofdzakelijk voor het muzikale effect). Zo’n gedicht noemen we ook wel een klankgedicht. Het gedicht bestaat uit vier strofen, elk bestaand uit drie regels, terzine genaamd.
Een gedicht uit terzinen (vers van drie regels) had oorspronkelijk als rijmschema: aba, bcb, cdc enz. Het rijmschema in het gedicht van Engelman is: aab, ccb, ddb, eeb. In de eerste twee regels van elk vers is er sprake van mannelijk rijm (na de beklemtoonde rijmende lettergreep volgt geen andere meer), in elke laatste regel van vrouwelijk rijm (na de beklemtoonde rijmende lettergreep volgt nog een andere lettergreep). Engelman aanbad de Grieks-Braziliaanse zangeres Vera Janacopoulos en schijnt het gedicht, na beluistering van een concert, in vijf minuten geschreven te hebben aan een restauranttafeltje. Maar zelf zei hij ooit, dat het gedicht niet over de echte Vera Janacopoulos ging.
Veel mensen vinden het gedicht mooi. Maar waarom eigenlijk? Waar gaat het over? Het is niet zo moeilijk om er wat mooie woorden en klankcombinaties in aan te wijzen: ambrosia, blozende appels, gazelle, zeeschuim, rozen, minnares, vlinders en violen. Is het effect van dit wonderlijke gedicht misschien gebaseerd op een bijzonder of mooi of misschien wel bijzonder mooi klankeffect? Of schuilt de werking eerder in de mooie begrippen (hoewel...schedelveld en duizendjarig dolen zijn niet direct zo opwekkend) waar de klanken en de woorden hier naar verwijzen? In het oproepen van allerlei suggesties? Iets van muziek, iets goddelijks of paradijselijks, en iets gezonds.
Niet iedereen vond het gedicht mooi. Dat bleek direct na het verschijnen uit de soms felle reacties. De dichter Anthonie Donker beschouwde het vers als het einde der poëzie. De taal is leeg (...) het is een onvruchtbare navolging der muziek.
De schrijver/dichter Simon Vestdijk vond het gedicht één van de toppen van klankraffinement waartoe de Nederlandse poëzie in staat is gebleken. Alles klinkt zo zoetvloeiend, zo sierlijk, zo ijl en dromerig, dat wij werkelijk muziek, ‘echte’ muziek meenen te horen.