Het gedicht

Aan de Sonnetten I is een sonnet (gedicht dat uit veertien regels bestaat). Twee kwatrijnen (verzen van vier regels) en twee terzetten (versregels van drie versregels) vormen het gedicht. De inhoud van een sonnet neemt vaak een andere wending (ook volta, chute of val genoemd) tussen de achtste en negende versregel. Soms is de wending te vinden tussen de regels 11 en 12. Niet in alle sonnetten vind je een wending en sommige hebben er twee.) Dat is niet vreemd, want het was de meeste geliefde dichtvorm van Jacques Perk.
Dit sonnet is heel bijzonder. Het leidt een sonnettenkrans in vier boeken in. Deze sonnettenkrans is een lofzang op Mathilde, een door Perk bewonderde schone dame.