Het gedicht
Er was eens…, en dan weet je dat er een sprookje begint. Een verhaal waarin bijna altijd het goede overwint en het kwade gestraft wordt. Eens, alsof de verteller wil zeggen: zo ging het vroeger, nu gebeuren zulke dingen niet meer. Er is nog een ander eens: een toekomstverwachting: het eens van eens komt de dag dat...
Het gedicht maakt deel uit van een serie van vier gedichten die Boon opdroeg aan zijn vrouw Jeanneke.
De eerste drie beginnen met eens mijn geliefde en staan vol sombere toekomstbeelden. Nee, het jaar 2000 wordt niet het door grootvader gedroomde droomjaar.
In het vierde gedicht, dat je net hebt gelezen, bevestigt Boon dat het eens van vroeger onherroepelijk voorbij is en dat het eens van de toekomst niet erg aanlokkelijk is.
De ik-persoon vertelt zijn vrouw geen sprookjes meer, hij verzwijgt alleen nog het toekomstbeeld van het jaar tweeduizend. Een toekomstbeeld waarin flatgebouwen, kleurentelevisies en snelwegen de spookbeelden worden. Hij wil haar nog wel een sprookje over grootvader vertellen, die misschien wel blij is dat hij dat allemaal niet meer moet meemaken. Maar de jij-persoon denkt aan de kinderen en kleinkinderen met tranen in de ogen.