Het gedicht

Roald Dahl is populair bij kinderen en volwassenen. Zijn kinderboeken zijn fantastisch, grappig en soms griezelig. In zijn boeken zijn de goeden en de slechten heel makkelijk te onderscheiden. De goeden zijn soms dieren, maar vaak kinderen die het op een bepaalde manier niet meezit: ze hebben geen of gemene ouders of ze zijn arm. De slechten zijn wel heel slecht: ze halen alleen maar gemene streken uit. Maar door de slimheid van de goeden worden op het eind de slechten op een verrassende, bijzonder inventieve manier toch altijd weer vreselijk afgestraft.
De Krokodil lijkt veel op een slaapliedje. Er wordt eerst verteld wat de krokodil op zaterdag graag lust en ook wat hij zeker niet lust. In totaal moeten er zes kindertjes aan geloven: drie meisjes en drie jongetjes.
Het venijn zit in het slot. Het eind van een slaapliedje is meestal bedoeld om het kind gerust te stellen. Maar in dit gedicht is dat nu juist anders: het kind wordt nog eens extra bang gemaakt: de Krokeledook is in huis. Niet bepaald een mededeling die ervoor zorgt dat we rustig gaan slapen. Maar dat kun je bij Roald Dahl verwachten.
Roald Dahl is een meester in het scheppen van een uitdagende sfeer. Waarom moeten meisjes zoet smaken en jongens juist niet? Meisjes met krullen en vlechten smaken helemaal niet. Wat zit hier achter? Heeft de dichter misschien een hekel aan dit soort meisjes?
Het slot van het gedicht is ook typerend voor Roald Dahl. Je verwacht dat het kind dat moet gaan slapen op zijn gemak gesteld wordt, maar niets daarvan. Het kind wordt juist de stuipen op het lijf gejaagd. Iets wat je normaal gesproken niet zou verwachten, maar bij Roald Dahl loopt alles net iets anders.