Het gedicht
Een oud huis, omgeven door peppels, zo begint dit gedicht dat in 1897 voor het eerst in de bundel Verzen verscheen. Het lijkt een vredig tafereeltje. De derde en vierde regel vertellen verder over de smalle laan van natte blaren, bladeren die zullen gaan vallen. Tot zover lijkt alles normaal.
Maar in regel twee lees je ook een klacht: mijn lief, mijn lief, o waar gebleven… Daar en daar alleen gaat het hele gedicht over. Zijn lief is er niet meer en dat is het grote probleem. Niets is meer zoals het zijn moet, want zij is er niet.
De ik-persoon is eenzaam en dat komt door zijn afwezige lief. Je zou kunnen zeggen dat dit gedicht is doortrokken van eenzaamheid, van afwezigheid, van onvervuld verlangen, van ‘wat doet alles er nog toe’. Ook in andere gedichten komt eenzaamheid steeds terug als onderwerp en daarbij gebruikt Leopold regelmatig de natuur.