Het gedicht
Jaap. Niet een erg gebruikelijke titel voor een gedicht. De verzen hebben allemaal een verschillende lengte. De dichteres heeft ook gewerkt met het inspringen van versregels.
In het eerste vers geeft de ik-persoon het al aan: toeval is het dat ze Jaap ziet. Ze zit verzen te lezen. Maar als ze opkijkt ziet ze hem blij verrast komen: Jaap, haar jongen.
Als je vers 2 goed leest, moet Jaap een bijzonder iemand zijn. Hij brengt niet alleen de ik-persoon in vervoering. Ook de vogels reageren op hem. In vers 3 vertelt de ik-persoon hoe Jaap eruitziet; hij is in het zwart gekleed en ziet er goed uit.
In vers 4 blijken inmiddels alle vogels aan het fluiten. Hoewel de ik-persoon al wat ouder wordt, blijkt ze elke keer weer opgewonden te worden van zijn verschijning.
Ze vraagt zich dan ook af: waarom niet? Het gedicht besluit met de conclusie dat niets wat haar ziel ooit heeft geroerd, haar ooit heeft teleurgesteld.