Introductie Opdracht
1) In dit gedicht draait de handeling om
a) de wolken
b) de golven
c) de vissen
d) de visser
2) Elke strofe in dit gedicht is een
a) distichon (vers van twee regels)
b) terzine (vers van drie regels)
c) kwatrijn (vers van vier regels)
d) octaaf (vers van acht regels)
3) In
onder wolken vogels varen / onder golven vliegen vissen
vinden we
a) eindrijm
b) halfrijm
c) alliteratie (beginrijm)
d) geen bijzondere vormen van rijm
4) De verzen 4 en 5 lijken heel erg op elkaar qua opbouw. Hoe noemen we dit?
a) herhaling
b) parallellisme (aantal zinnen die op dezelfde wijze beginnen en verlopen)
c) opsomming
d) inversie (omgekeerde woordvolgorde)
5) In dezelfde regels 4 en 5 vinden we nog een stijlfiguur, namelijk
a) een eufemisme (verzachtende uitdrukking)
b) een hyperbool (sterke overdrijving)
c) een chiasme (ook wel kruisstelling, bijvoorbeeld
Dames en heren, jongens en meisjes
)
d) een retorische vraag (een vraag waarin het antwoord al verstopt zit)
Visser van Ma Yuan
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser
golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
Lucebert