| 1. Leg kort uit wat er volgens jou gebeurt in dit gedicht? |
| | |
| |
| 2. Regel 3 en 6 lijken sterk op elkaar. Toch is er een belangrijk verschil. a) Wat is dat verschil? b) Wat betekent dit verschil volgens jou? |
| | |
| |
| 3. Er zijn veel overeenkomsten tussen de twee strofen. Maar welk belangrijk verschil signaleer je |
| | |
| |
| 4. Van Lucebert is bekend dat er in zijn gedichten van alles gebeurt. a) Gebeurt er in dit gedicht veel? b) Waarom zal dat zo zijn? |
| | |
| |
| 5. Lucebert gebruikt in veel van zijn gedichten de paradox (schijnbare tegenstelling). Wijs in dit gedicht daar voorbeelden van aan. |
| | |
| |
| 6. Wat is volgens jou de bedoeling van vogels varen (regel 1) en vliegen vissen (regel 2)? |
| | |
| |
| 7. Een van de kenmerken in het werk van Lucebert is dat hij graag speelt met klanken. a) Wijs in dit gedicht voorbeelden van klankspel aan. b) Wat is volgens jou de bedoeling van dit klankspel? |
| | |
| |
| 8. Een ander kenmerk van de poëzie van Lucebert is dat hij zich weinig aantrekt van de grammatica. Wat valt je op aan de eerste twee regels van dit gedicht? |
| | |
| |