Introductie Opdracht
1) Zoo’n nacht is dit. Komt verschillende malen voor in dit gedicht. We noemen dat
a)
repetitio
b)
personificatie
c)
ironie
d)
eindrijm
2) Wat voor nacht is het volgens de dichter?
a) Een bruisende nacht
b) Een slapeloze nacht
c) Een stille nacht
d) Een lichte nacht
3) In het gedeelte na
Zoo’n nacht is dit
vinden we een vergelijking
‘gelijk ’n bij die zweeft voorbij ’t oor
. Bij welke werkwoordsvorm hoort deze vergelijking
a) suist
b) bruist
c) zingt
d) zoemt
4) In de middelste kolom vinden we een stijlmiddel, zoals
wit - zwart
en
groot – klein
. Hoe noemen we dit stijlmiddel.
a)
enjambement
b)
antithese
c)
paradox
d)
metafoor
5)
Hoort! Hoort!
heeft een centrale en opvallende plaats in het gedicht. Bij welk gedeelte van het dicht hoort deze uitroep.
a) Bij het gehele gedicht
b) Bij
éen zichtbaar
tot en met
voorbij ’t oor
c) Bij
Zoo’n nacht is dit
d) Bij
een zwarte aarde
tot en met
diepen bas uitstaat
.
Nacht
Nacht
(opent in een nieuw scherm)