![]() |
![]() |
|||
Er is iets gebeurd, aan tafel, waar we niets van weten. Waarover ging de ruzie?
Laten we aannemen dat er twee mensen bij betrokken zijn: de ik-persoon uit het gedicht en een vader of moeder.
Hoe gaat zoiets; iemand vraagt iets aan je, over school, proefwerk, op tijd thuiskomen. Je geeft een antwoord, dat niet bevalt. Je maakt een nieuwe opmerking en voor je het weet: ruzie.
Beschrijf dit gesprek (de ruzie) in een korte dialoog.
M = moeder D = dochter
M Hé, zit niet zo te knoeien met je eten.
D Ik zit helemaal niet te knoeien.
M Dat zit je wel, kijk nou, allemaal jus op het tafellaken.
D Mens doe niet zo truttig. Dan stop je het toch gewoon in de wasmachine.
M Hou je brutale mond.
D
M
D
M
D
M

![]() |
![]() |