| 1) Is dit een droevig of juist vrolijk gedicht? |
| | |
| |
| 2) Wat zegt dit gedicht over de ik-persoon? |
| | |
| |
| 3) Is het wel een gedicht of juist meer een verhaal? |
| | |
| |
| 4) Het gedicht heeft een wel zeer korte titel. Arends heeft daar ongetwijfeld een reden voor gehad. Kun je bedenken welke? Welke titel zou je zelf het gedicht geven? |
| | |
| |
| 5) Hoe is volgens jou de relatie tussen de vader en de zoon uit het gedicht? Waar zie je dat aan? |
| | |
| |
| 6) Wie kan zo mager praten met de taal als ik? vraagt Jan Arends zich in zijn gedicht af. Wat bedoelt hij daar volgens jou mee? |
| | |
| |
| 7) Om pijn te schrijven heb je weinig woorden nodig. Wat bedoelt Jan Arends met deze regels? Ben je het met hem eens? |
| | |
| |