| 1) Wat is er volgens jou gebeurd met de zij-persoon uit het gedicht? |
| | |
| |
| 2) Hoe voelt de ik-persoon zich volgens jou? |
| | |
| |
| 3) Op welke plaats in het gedicht werd het je duidelijk dat het niet om de vermissing van een mens ging? |
| | |
| |
| 4) Heb jij zelf wel eens zo'n ervaring gehad, dat je huisdier opeens vermist of gestorven was? Hoe voelde jij je toen? |
| | |
| |
| 5) Het woord hond komt in het gedicht niet voor. Toch weet je dat het daarom gaat. Je weet zelfs dat het een teef is. Uit welke woorden kun je dat opmaken? |
| | |
| |
| 6) Er worden drie dingen genoemd die de ik-persoon aan het hart gaan. Welke zijn dat? En welke van die drie vindt hij het ergst? |
| | |
| |
| 7) Op welk moment heeft hij definitief afscheid genomen van zijn vermiste hond?Was dat kort na de vermissing of heeft hij een tijdje gewacht? Waar maak je dat uit op? |
| | |
| |
| 8) Vermist. In het woordenboek staat: ontbrekend, onvindbaar, verdwenen. In het gedicht vind je woorden die een nauw verband hebben met dat vermist. Welke woorden zijn dat? Welke invloed hebben ze op de sfeer van het gedicht? |
| | |
| |
| 9) Het eind van een regel is iets anders dan het eind van een zin. Soms is de regel afgelopen maar gaat de zin nog door. Enjambement is de officiële term daarvoor. Zoek drie enjambementen op. |
| | |
| |
| 10) De dichter kan het enjambement gebruiken om een bepaald woord te benadrukken. Kun je daar een voorbeeld van vinden? |
| | |
| |