| 1) Wat vind je van de titel van dit gedicht. Past het erbij of zou jij voor een andere kiezen? Welke is dat dan? |
| | |
| |
| 2) De eerste twee regels van het gedicht zien er zonder leestekens nogal ingewikkeld uit. Hoe zeg jij met je eigen woorden wat Boon daar bedoelt? |
| | |
| |
| 3) Boon noemt drie dingen die voor hem de nachtmerrie van het jaar tweeduizend zijn. Noteer ze alledrie. |
| | |
| |
| 4) Nog even over die nachtmerrie. Toen Boon het gedicht schreef, lag het jaar 2000 nog in de toekomst. Nu is het al weer verleden tijd. Heeft Boon volgens jou gelijk gehad of heeft hij een beetje overdreven? Of is het misschien nog erger dan Boon dacht? Hoe denk jij erover? |
| | |
| |
| 5) Tussen de grootvader in het vierde vers en de kleinkinderen in het vijfde vers is een overeenkomst. Welke? Is er ook een verschil? |
| | |
| |
| 6) Waarom spreekt de ik-persoon volgens jou elke keer over sprookjes? |
| | |
| |
| 7) De laatste zin van het gedicht luidt: eens als alles eens zal zijn. Hoe zeg je dat met je eigen woorden? |
| | |
| |