| 1) Het gedicht heeft geen titel. Bedenk er één, maar het woord dood mag er niet in voorkomen. |
| | |
| |
| 2) In dit gedicht vind je geen hoofdletters, geen leestekens. Op zichzelf is dat niet ongewoon in moderne poëzie. In het werk van Schierbeek zie je nauwelijks anders. Kan het ontbreken van leestekens en hoofdletters in dit gedicht toch nog een speciale betekenis hebben? |
| | |
| |
| 3) Wat valt je op aan de opbouw van de verzen in dit gedicht? Speelt die opbouw een rol in het verhaal dat het gedicht vertelt? |
| | |
| |
| 4) Toen de dichtbundel De deur verscheen, gebruikte een criticus het woord stamelen voor de manier waarop Schierbeek zijn gedichten had geschreven. Zie jij in de vorm van het gedicht elementen die dat stamelen bevestigen? |
| | |
| |
| 5) Dit gedicht is ook opgenomen in de bloemlezing van liefdespoëzie. Kun je je voorstellen waarom iemand Ik denk een liefdesgedicht noemt? |
| | |
| |