1

Cantilene

Al draagt de aap een gouden ring

De hemelboog wordt sedert weken

Droomschuim was deze nacht

Graauw is uw hemel en stormig uw strand,

Het regent en het is november;

Hoe de mensen, hoe deze mensen, hoe

Hom

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -

Om mijn oud woonhuis peppels staan

Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen,

Toen ik even

Wij schuilden onder dropplend loover,

Woorden in den nacht

‘De moerbeitoppen ruischten;'